WITTE WIJN

OOGST

De oogst is het spannendste moment van het wijn maken.

De beslissing wanneer het oogsten kan beginnen, is van groot belang voor de uiteindelijke wijn.

Er zijn verschillende manieren om te meten of de druiven voldoende rijp zijn.

ALCOHOLISCHE GISTING

Wijn = druivensap waarvan de druivensuiker door gisten is omgezet in alcohol.

Gistcellen zitten op de schil van de druif. Gekweekte gist mag ook aan de druivenmassa worden toegevoegd.

Droge (= niet-zoete) wijn: de gistcellen hebben alle druivensuiker omgezet in alcohol.

Niet-droge wijn: een deel van de druivensuiker is niet vergist. Door onvergiste suiker smaakt de wijn (half)zoet.

LAGEREN

IN TANK

In koele tanks van roestvrij staal blijven de frisse zuren en de fruitige smaak het best bewaard.


OP HOUTEN VATEN

Rijping op houten vat maakt witte wijn ronder en kruidiger. Niet alle druivenrassen zijn geschikt om op hout te rijpen, maar chardonnay en viognier bijvoorbeeld wel.

BLENDEN

Sommige wijnen bestaan 100% uit één druivenras. In andere worden meer druivenrassen verwerkt. Het blenden of mengen gebeurt voor, tijdens of na de lagering.

FILTEREN

Er bestaan gefilterde en ongefilterde wijnen.

De meeste wijnen worden gefilterd om de kleine vaste deeltjes (zoals dode gistcellen) die in de wijn zweven eruit te halen.

Bij ongefilterde wijn laat de wijnmaker de wijn rusten zodat de vaste deeltjes uit zichzelf naar de bodem zakken. Dit zogenaamde depot geeft de wijn smaak en maakt hem voller en ronder.

Depot kan ook tot bederf leiden.